Na uitleg van onze beroepsvereniging V&VN bleek vorige week nog grote verdeeldheid over het concept-akkoord: ‘600 miljoen bezuinigen op de wijkverpleegkundigen, een schande’. Helemaal mee eens. Maar ook lekker makkelijk, denk ik dan. Het is namelijk hoog tijd om kritisch naar onszelf te kijken. Want persoonlijk maak ik me grote zorgen over een ander punt in dat akkoord: dat er gekeken gaat worden welke zorg bewezen effectief is. Want dát is ons werk nu bepaald niet.
Nauwelijks onderzoek
Bewezen effectief. Als ik mijn gedachten laat gaan over wat er bewezen is in ons vak, zijn dat voornamelijk protocollen, richtlijnen en verpleegtechnische handelingen. Die zijn vaak gericht op het medische domein, want daar doen ze wél onderzoek. In het verpleegkundig domein wordt nauwelijks iets onderzocht. Want ja, géén tijd (of vooral: geen prioriteit.)
Juist verpleegkundigen zouden de ontwikkelingen in hun vak moeten bijhouden. Deze zorg wordt steeds complexer. In het vinden van oplossingen is het stellen van verpleegkundige diagnoses en onderzoek van groot belang. Wat zegt de diagnose depressie als je niet kijkt maar de gevolgen die de depressie heeft op het leven? Dat is de vraag waarmee de verpleegkundige aan de slag gaat: waar heb je precies last van? Om de beste aanpak te bepalen.
Evidence based
Maar zijn zulke interventies wetenschappelijk onderbouwd? Vaak niet. We passen ze toe omdat we uit ervaring weten dat ze helpen. Maar nu mensen langer thuis wonen en een complexere zorgvraag hebben, zijn nieuwe inzichten essentieel. Daarvoor moeten we onderzoek doen. We willen ook evidence based werken, dus handelingen uitvoeren omdat deze bewezen zijn. Echter, daar is nu nog (te) weinig sprake van.
Het bizarre is, dat er elk jaar hordes hbo-verpleegkundigen afstuderen die juist geleerd hebben zo te werken. De opleiding legt de nadruk op essentiële onderzoeksvaardigheden: klinisch redeneren, diagnoses stellen, leiderschap tonen, kritisch kijken naar eigen handelen, evidence-based practice (EBP) werken, enzovoort. Maar op de werkvloer worden die vaardigheden niet als zodanig erkend. Niet door collega’s en niet door de meeste werkgevers.
Gebrek aan professionalisering
Deze manier van denken veroorzaakt een uit- en doorstroom van hbo-opgeleide verpleegkundigen. Degenen die wel blijven, vergeten op den duur dat ze op hbo-niveau zijn opgeleid. Om dit op te lossen is differentiatie van functies nodig, essentieel voor de verdere ontwikkeling van onze héle beroepsgroep. Toch lukt het ons niet om dit door te zetten. Ik vind dat we ons diep moeten schamen. Door gebrek aan professionalisering zijn wij zelf onderdeel van het probleem dat patiënten niet de zorg krijgen die ze nodig hebben.
Functiedifferentiatie betekent niet dat hbo-opgeleide verpleegkundigen plotsklaps naar kantoor verdwijnen, waardoor al het werk bij de verzorgende, mbo- of inservice-opgeleide verpleegkundigen komt te liggen. Nee, het betekent dat zij náást het werk op de afdeling ruimte krijgen voor andere taken.
Meebeslissen
Wij leveren zorg aan iedereen, zonder uitzondering. Dat kunnen we, omdat we allemaal verschillende kwaliteiten hebben. Dus moet er ook onderscheid zijn in taken en werkzaamheden. Zo kunnen we elkaar versterken. Directe patiëntenzorg is belangrijk, maar onderzoek doen en zelf beslissen over ons vak ook. Daarom moet er binnen de opleidingen meer aandacht komen voor beleidsmatig werken, visieontwikkeling, netwerken en communicatieve vaardigheden. Dit om verpleegkundigen ook mee te laten beslissen op beleidsniveau.
In de zorgverlening van de toekomst hebben we een belangrijke rol. Verpleegkunde is zo veel meer dan handen aan het bed, het is een professie, een kunde. Maar om dat zo te houden, is blijvende ontwikkeling noodzaak.
Jorn Albers is student verpleegkunde aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.