Twee jaar geleden koos ik ervoor om een carrièreswitch te maken. Van automonteur naar verpleegkundige. Iets wat ik zelf nooit had verwacht. Mijn moeder wel, die riep het al jaren. Maar ik wist zeker van niet. Billen wassen, mensen naar het toilet helpen en ook nog eens (te) weinig verdienen. Wát dacht ze zelf. Achteraf had ze (natuurlijk) gelijk. Het bleek een schot in de roos.
Er is wat af gelachen, toen ik het aan vrienden vertelde. Als ik na een late dienst aansloot in de kroeg stond iedereen met een sarcastische blik te klappen voor ‘onze held in de zorg’. Ze lachten als ik vertelde dat ik mensen ondersteunde bij het douchen. Dat vonden ze vreemd. Ik neem het ze niet kwalijk, ik moest er ook aan wennen.
De grappen bleven, daarnaast groeide het respect. Ze zagen dat het vak verpleegkunde een vuur in mij deed branden. Vooral door de mensen met wie ik werkte. Beetje bij beetje zagen ze in hoe bijzonder het is om écht iets bij te dragen aan het leven van een ander. Een maatschappelijke functie te hebben. Iets wat zij met hun baan, met nietszeggende Engelse functietitels, misten. Ik schets graag een realistisch beeld. Het is niet alleen rozengeur en maneschijn: lage lonen, tekorten, te weinig tijd voor mensen, te veel administratie. En ja, mensen wassen, steunkousen aantrekken, protocollen en richtlijnen volgen en verpleegtechnische handelingen uitvoeren zijn belangrijke aspecten van mijn vak.
Maar voor mij ligt de essentie bij de mensen. Mensen met wie ik een vertrouwensrelatie aanga en voor wie ik door het vuur ga. Mensen die hulp nodig hebben, op welke wijze dan ook. Of je nu werkt met mensen met een beperking, in de psychiatrie, het ziekenhuis of de thuiszorg. Of je mensen ondersteunt in hun laatste levensfase, tijdens psychische ontregeling, in tijden van ziekte of simpelweg met het starten van hun dag. Mensen raken de grip op hun bestaan kwijt en hebben jou nodig om die waar mogelijk terug te vinden. Veel hulpverleners zien ze maar kort, maar jij, verpleegkundige, jij bent er altijd.
Het beroep beoefen je met een lach en een traan. Je begeleidt mensen in hun laatste levensfase en neemt afscheid met tranen in je ogen. Even later rollen de tranen van het lachen over je wangen. Zoals toen een tachtigjarige vrouw op mijn afdeling met een stalen gezicht tegen me zei: „Zo, jij ziet er leuk uit. Wist jij wel dat ik een cougar ben?”
Als verpleegkundige denk ik in mogelijkheden. Wat lukt nog wél, ondanks de ziekte of de beperkingen? Handvatten bieden waardoor mensen weer kunnen meedoen in de samenleving. Ik luister naar de patiënten. Dat betekent niet alleen horen wat er gezegd wordt, maar weten wat er bedoeld wordt. Vaak wordt gezegd dat je als verpleegkundige de ogen en oren van de arts bent. Voor mij ben je vooral de stem van de patiënt.
Ik wil nooit meer anders.
Jorn Albers is verpleegkundige in opleiding en werkzaam in de psychiatrie.